Categorie archief: Extra

De Bal, Decloedt en de Tour 1971

In de jaren ’60 en ’70 was de kermiskoers in Mortsel-Oude God een van de hoogtepunten van het jaar. Voor de start vergaapte ik me aan de renners die ik kende van mijn verzameling bladwijzers van Poeders Mann: Piet Oliebrandt, Jos Boons, Willy In’t Ven, Willy Van Neste, Daniel Vanryckeghem. Ook de botervloot van Rik Van Looy (Solo Superia) was er, weliswaar zonder admiraal: Edgard Sorgeloos, Julien Stevens, Robert Lelangue, Palle Lykke. En de Flandriens van Flandria: Romain De Loof, Flory Ongenae. En de nieuwe lichting Noëls: De Pauw en Vanclooster. Tussen al die vedetten van net een tandje minder keek ik telkens uit naar de renners van het legendarische Kas en dat andere Spaanse team, Fagor: Domingo Perurena, Jesus Aranzabal, Luis Pedro Santamarina. Wat kwamen zij bij God in den Oude God zoeken? Van school kende ik Alva, Cortès en Quichote, maar een levende Spanjaard had ik nog nooit gezien.

In die tijd liepen alle cafés in de Edegemsestraat vol voor het evenement van het jaar. Een van die cafés organiseerde jaarlijks een vogelshow met tombola. Met de eerste enveloppen die ik uit een schoendoos haalde won ik twee parkieten: een groene en een blauwe. De groene doopte ik vertrouwelijk Domingo, de blauwe wat afstandelijker Aranzabal. Ik hield het hier bij de achternaam: Jesus leek mij te link. Toen ik triomfantelijk met mijn trofeeën thuis kwam, vloog ik per kerende met Domingo en Aranzabal van de derde verdieping de straatstenen op. Domingo en Aranzabal pasten niet in een interieur van tinnen bekers, porseleinen vazen met bloemmotief en brokaten onderleggers. Mijn vriend die in zijn tuin al een aantal eenden grootbracht, heeft Domingo en Aranzabal dan maar asiel verleend. Sindsdien heb ik Domingo Perurena en Jesus Aranzabal nooit meer in Mortsel zien koersen.

Drie jaar later fietsten we met een twaalftal zestienjarigen van de Chiro naar onze kampplaats in Bouillon. De meesten van ons waren wielergek en kropen in de naam van een wielervedette. Henk, verdienstelijk klimmer en lichtgewicht, koos voor Lucien Van Impe. Patrick, gestroomlijnd tijdrijder, was Bernard Thévenet. Danny, die nogal roekeloos reed en meermaals onderuitging, was onze Joaquim Agostinho. In het peloton hadden we nog een Mortensen, Guimard, Vanspringel, Godefroot en Lopez Carril. Leider Dirk, drie jaar ouder, koos logischerwijze voor Poulidor. Kwam hem goed uit: Raymond was een aimabel man en had de sympathie van de vrouwen. Zoetemelk kregen we niet verkocht. Hollander, melk en wieltjeszuiger: met dat stempel wilde niemand de Ardense hoogten over. Van Eddy Merckx bleven we af. Daarmee kon je je alleen maar onsterfelijk belachelijk maken. Al was ik Domingo en Aranzabal al lang vergeten, het Spaanse zat er nog altijd in. Omdat ik mezelf als rasklimmer zag, droeg ik het zelfgemaakte geel-blauwe KAS-truitje van de klimgeit José Manuel Fuente: de springveer die aan de voet van de bergen  Eddy Merckx met verbluffend gemak uit de wielen reed, maar op het einde van de rit meer dood dan levend en minuten later dan Merckx over de finish stotterde. Wie de kannibaal tartte, moest er vroeg of laat aan geloven. Zeker de Iberiërs. José Manuel Fuente was uiteindelijk maar zeven jaar prof en stierf op 51-jarige leeftijd aan een mysterieuze ziekte. Luis Ocana, die één Tour van Merckx won, schoot zich nadien een kogel door het hoofd en Joaquim Agostinho, die het koersen niet kon laten, buitelde op 42-jarige leeftijd over een hond en bleef voorgoed op het asfalt liggen.

De mietjes die om allerlei redenen niet op de fiets maar in de bezemwagen de tocht naar Bouillon maakten, riepen me meermaals schimpend toe dat zij dan wel niet veel van de koers kenden, maar dat de klimstijl van de echte Fuente toch wel sierlijker was. De lafaards vergaten er natuurlijk bij te denken dat dat verwend Spanjaardje niet met een rugzak vol eetgerief, witte bonen, spaghettisaus, propere kleren én een Canadees tentje naar boven moest.

De minder koersgekke en matig getalenteerde medekampeerders kozen uit zelfbehoud voor namen van mindere goden. Onder hen Luc en Marc: die identificeerden zich met de koningen van de kermiskoersen van die dagen. Luc was Alfons ‘Fonske’ De Bal en Marc – in die dagen had je naast een Luc altijd een Marc – was Freddy Decloedt. Nu moet je die twee kermiscoureurs niet onderschatten. De Bal en Decloedt fietsten meer palmen en bloedworsten bij elkaar dan Perurena, Santamarina en Aranzabal in hun carrière ooit hebben gezien. Naast het gegeven dat namen als Bal en Cloedt het bij zestienjarigen goed doen, vond Luc Fons De Bal een interessant renner. Zijn broer vlooide voor hem uit dat Fonske voor de ploeg ‘Oude Genever Geens’ reed en later naar ‘Hertekamp’ was overgestapt. Luc vond dat een consequente carrièreplanning. Marc, al heel jong beenhouwersgast, zag iets in Freddy Decloedt omdat die bij ‘Pull Over Centrale’ zat. Als je op je zestien elke morgen om zes uur de koelkamer in moet, kan je zo’n team wel appreciëren.

Tijdens de lange rit naar Bouillon zagen we elkaar enkel op de afgesproken bevoorradingsplaatsen. Vooral Decloedt en De Bal hadden het moeilijk met het tempo. De strijd tussen Van Impe, Fuente, Agostinho en Thévenet ging aan hen voorbij. Op de laatste helling richting kampplaats – een helling buiten categorie – waren Lucien, Bernard, Joaquim, ik en het moeizaam aanklampende peloton niet weinig verbaasd toen Decloedt en De Bal ons zo maar voorbij fietsten. Die smeerlappen waren erin geslaagd een bestelwagen met vrouwelijke (!) chauffeur tot stilstand te brengen, hun fiets en bagage in de laadbak te stoppen en op de bank naast de jonge vrouw de achtervolging in te zetten. Op enkele tientallen meter van het peloton sprongen zij, uitgerust en bol van het testosteron, opnieuw de fiets op en zetten, bevrijd van alle bagage, de achtervolging in. Ze reden ons met een vernietigende glimlach een voor een voorbij. Toen wij hijgend en puffend de kampplaats bereikten (José Manuel Fuente kwam wel als eerste boven), stonden De Bal, Decloedt en Muriel (!) ons aan de ingang op te wachten. Het hele kamp, tien dagen lang, jenden Bal en Cloedt ons met het papiertje waarop Muriel met verleidelijke krullen haar adres en telefoonnummer had achtergelaten. “Spelen jullie maar coureureke, wij spelen volgende week wel met iets anders!”

Volgens de Wielerwebsite stelt Alfons De Bal (65) het wel. Freddy Decloedt overleed in 2006 op 62-jarige leeftijd. Met Henk, Patrick, Danny, mezelf en de anderen gaat het van goed over behoorlijk tot we mogen niet klagen. Luc en Marc verging het minder goed. Luc werd vrij vroeg werkloos, raakte aan de drank en verblijft nu in een psychiatrische inrichting. Marc opende een eigen slagerij, ging failliet, liet vrouw en drie kinderen in de steek en trok naar Spanje. Muriel heeft een goeddraaiend hotel langs het parcours van Luik-Bastenaken-Luik. Een Luc of een Marc kan ze zich niet meer herinneren.

(Een spontane bijdrage van Jan Van den Bossche, 10 juli 2009)

Freddy Decloedt overleed in 2006.

Alfons De Bal stelt het nog goed.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Extra