The Number Of The Beast

Herinnert u zich het tafereel uit de Tour de France 1997 toen onze landgenoot Tom Steels in volle massasprint een bidon keilde richting de knikker van Frédéric Moncassin? Of herinnert u zich wat in de recente Tour gebeurde: Mark Renshaw, de locomotief van de ongenaakbare Cavendish, die Julian Dean trakteerde op enkele rake kopstoten en daarna Tyler Farrar richting dranghekken piloteerde. Agressie in de koers: al hoort het er niet thuis, het komt voor. En heus niet alleen in het profwielrennen. Ook in de kleinste kermiskoers van de kleinste nevenbond, waar geen huizenhoge premie maar hooguit een drankbonnetje te ‘winnen’ valt, is het af en toe ‘koekenbak’. Vorige donderdag registreerde ik twee incidentjes, tijdens en in de marge van een VWF-koers.

Pol en Piet hadden er hun wedstrijd opzitten. Het officiële gedeelte dan toch. Het officieuze luik ging (verbaal) verder na de koers. Ze stonden enkele wagens verderop geparkeerd. Terwijl ik mijn fiets aan het inladen was, gingen de decibels steil de hoogte in. Ik hoorde niet precies waar het om ging. Vast wel iets dat gebeurd was in de koers, een of andere bagatel. Had Piet net iets te ostentatief op Pols wiel gereden? Of omgekeerd? Had Pol de premie van Piet afgesnoept? Of omgekeerd? Het werd in elk geval almaar bitsiger. Piets zoontje zat in de koffer en zag hoe palief tekeer ging. En zelfs moeder de vrouw wierp zich in de strijd. Een scheldtirade met hoog entertainmentgehalte die op een haar na uitdraaide op een knokpartij. Foei.

Een uur eerder, ergens in de voorlaatste ronde van mijn wedstrijd, was ikzelf in het oog van een stormpje terecht gekomen. De hoofdrol was weggelegd voor rugnummer 69. Een sterke coureur, daar niet van. Een dik gat weliswaar maar wel stevige poten. Explosief kereltje ook. Soit, ik had me in de wedstrijd al een paar keer getoond. Het liep lekker, weet je wel. ‘Mee’ zijn in enkele ontsnappingen, initiatief nemen, stofzuiger spelen. Van die dingen. Toch bleef het peloton compact. In de voorlaatste ronde hadden we met z’n vijven weer een klein gaatje op het peloton. Ik had net de sprong naar voren gemaakt en kon even niet mee inschuiven. Iets wat nummer 69 blijkbaar niet echt kon waarderen. Ik schudde het hoofd, hij dichtte dan maar een vijftal seconden later het kloofje en ik was blij dat ik zijn wiel kon houden en op die manier weer in kon schuiven. Hevig gesticulerend foeterde nummer 69 in het ronde: ‘Nu kunde wel, of wa?’. Inderdaad, op dat moment kon ik wel. Vijf seconden eerder even niet. Had nummer 69 daar een probleem mee? Blijkbaar wel.

Doorgaans probeer ik het altijd ‘goed te maken’ in de koers wanneer ik iemand aantik of wanneer er even onenigheid is. Brandjes zijn er om te blussen. En dat lukt me meestal ook. Niet bij nummer 69 die koppig voor zich uit bleef staren toen ik hem een paar bochten verder de hand reikte en zich verder wentelde in zijn agressie. Jammer. Ik weet niet welke verwensingen hij me nog allemaal naar het hoofd heeft geslingerd maar één ding weet ik wel: dat hij het rugnummer 69, toch een verwijzing naar het gezegende Merckx-jaar 1969, niet waard was. 666 was een beter rugnummer geweest. The Number Of The Beast. Moraal van het verhaal: agressie, al dan niet in zijn schuimbekkende vorm, hoort niet thuis in de koers.

"The Number Of The Beast", classic album by Iron Maiden.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Frederik Backelandt

Share the road

Net zoals een paar duizend andere dames en heren die de passie voor de fiets delen met de liefde voor de motor heb ik de 53×11-column van Rik Vanwalleghem in de laatste Grinta! een paar keer vol ongeloof herlezen. Ik had een dergelijke aanval op de motorrijder in het algemeen immers niet verwacht in ‘mijn’ vredelievend fietstijdschrift. Een blog heeft geenszins de bedoeling om een polemiek te starten, maar met jaarlijks tienduizend kilometer op de fietscomputer en zestigduizend kilometer op de klokken van de motor denk ik toch over enige achtergrond te beschikken om hier één en ander in het juiste licht te plaatsen.

Ten eerste is er het feit dat alles waar Rik zich als automobilist en fietser aan stoort in het gedrag van de motorrijders perfect kan worden omgekeerd. Dit is wat ik bedoel: bekijk je het vanuit het standpunt van de motorrijder, dan ergert die zich ook aan fietsers die door twee aan twee door de polder te ‘tjaffelen’ zijn ideale bochtenlijn verknoeien. Als die motorrijder in het weekend rustig door de Vlaamse Ardennen wil gaan toeren en die regio kreunt weer onder de massale aanwezigheid van een paar tienduizend wielertoeristen die het niet allemaal even nauw nemen met de verkeersregels, dan is die motorrijder ook niet blij. Net zoals die eens zal monkelen of vloeken als bij een bevoorradingspost van een cyclosportieve de fietsers tot op de middellijn hun banaantje staan te eten.

Ten tweede is het een vaststaand feit dat grote getallen imponeren. Wandel je op de Scheldedijk en komt daar een peloton van honderd wielertoeristen aan, dan kruip je als wandelaar diep weg in de berm om toch maar geen enkele van die spandexsporters te storen. Net zo is het voor een automobilist of fietser overdonderend als een kolonne van twintig motoren met stoere lederen binken in het zadel over een secundaire weg voorbij komt.

Ten derde zijn er de jammerlijke veralgemeningen in de column. OK, een probleem wat uitvergroten is altijd handig als je iets aan de kaak wil stellen, maar net zoals slechts een minderheid van de wielertoeristen wielerterroristen zijn, kan je evenmin beweren dat alle motorrijders cowboys zijn die de openbare weg als hun persoonlijk racecircuit beschouwen. Het aantal koppels dat er in het weekend met de Harley of GoldWing rustig tuffend op uit trekt om van een landschap te genieten zou ik niet te eten willen geven.

Tel je de puntjes 1, 2 en 3 op dan kom je tot de conclusie dat de column ‘Schutzengel’ een mooi voorbeeld is van de pot en de ketel die mekaar verwijten dat ze zwart zien. Het jammere is dat Rik volgens mijn bescheiden mening een geweldige kans laat liggen om het probleem in een bredere context te plaatsen. We kunnen er immers niet om heen dat we in een klein landje met een bijzonder dicht wegennet leven zodat alle verschillende weggebruikers (voetgangers, fietsers, motorrijders, automobilisten, truckers, buschauffeurs,…) om de haverklap in mekaars vaarwater zitten. In plaats van te mekkeren dat hij of zij begonnen is of dat ‘alle anderen verkeersidioten zijn’ kunnen we voor één keer misschien een voorbeeld nemen aan de Amerikanen. Hoewel het land ontelbare keren groter is dan ons Belgenlandje en hoewel hun wegennet niet historisch misvormd is (bij ons lopen de straten tussen de huizen, in Amerika bouwen ze de huizen langs de straten), beseffen de Amerikanen dat ze niet iedereen een eigen plekje op de weg kunnen geven. Met de regelmaat van de klok kom je dan ook ‘Share the road’ borden tegen die oproepen tot hoffelijkheid. Als iedereen een beetje water bij zijn wijn doet, dan blijft die wijn voor iedereen drinkbaar. Op uw gezondheid, Rik, en altijd bereid om je achterop de motor eens door de Vlaamse Ardennen te loodsen. Maar gelieve dan niet in brand te vliegen als er een wielertoerist voor ons op de weg rijdt!

Redacteur Bart De Schampheleire reageert in deze blog op de bijdrage van columnist Rik Vanwalleghem.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Bart De Schampheleire

Een Gilbertke doen

Wie een granfondo rijdt, wordt ‘afgerekend’ op zijn of haar tijd of plaats. “En? In welke tijd?”, “Beter dan vorig jaar?”, “Hoeveelste?”: van die dingen. Dergelijke vragen zijn alvast simpeler en korter dan de antwoorden erop. Want wat zegt een tijd eigenlijk zonder het verhaal erachter? Ik bedoel: verhalen die ‘de tijd’ kunnen verduidelijken, die kunnen nuanceren of… waarachter je je falen kan verbergen.

Neem nu mijn ‘tijd’ in de (alweer snikhete) Maratona dles Dolomites 2010. Officieel 5 uur 47’28” over de 138 km. Niet echt om over naar huis te schrijven als je gewoon de getallen bekijkt. Zeven minuten trager dan vorig jaar, als ik me goed herinner. Gebuisd dus. Loser! Wereldkampioen bij de journalisten onwaardig. Toon eens wat meer grinta, hé man. Ik begrijp u, beste lezer. Ik zou ook zo (ver)oordelen als ik een dergelijke tijd voor ogen zou krijgen. Een tragere tijd dan in 2009 dus. En toch ben ik méér tevreden dan één jaar terug. Hoe verklaar je dàt? Nee, niet omdat ik een jaartje ouder ben en ik zou kunnen leven met mijn beperkingen. Er is een andere reden. Héél simpel: in 2009 was er rond deze tijd sprake van enige ‘vorm’. Nu is die in de beginfase. Knieproblemen hebben dit jaar alles vertraagd. Ik heb achterstand. En dan is ‘uit vorm’ zeven minuten trager zijn dan ‘in vorm’ een resultaat waarmee ik kan leven.

Voor het eerst heb ik eens genoten van de Dolomieten. Was me tijdens mijn vorige edities van de Maratona nog niet overkomen. Het decor van de Passo Pordoi vind ik eigenlijk ongeëvenaard. En ik heb al in vele berglandschappen gefietst. Eén ding is net hetzelfde gebleven als vorig jaar: de steilte van de Passo Giau. Of, in mijn geval, de Passo Auw. Nee, die kl***berg ligt me niet. En zal me nooit liggen. Ik zocht en vond geen ritme (klimmers weten wat ik bedoel), ik worstelde met de hitte en snakte naar water (al die suikerdranken, wat een plakkerig gedoe). Kortom, ik heb een blauwtje gelopen op de Giau: aan de vooravond van de Maratona had ik nog mijn liefde verklaard aan dat Gedrocht maar die blijft, achteraf beschouwd, dus onbeantwoord. Nog fait divers van tijdens de rit… Gestopt in de afdaling van de Passo Sella om de schade op te meten toen er een voorligger hard tegen de vangrails smakte (hij werd afgevoerd met de ambulance). En tijdens de tweede passage op de Passo Campolongo ben ik er dan wonderwel in geslaagd om een lens uit mijn linkeroog te vegen. Niet prettig. Ik fietste de tweede helft van de Maratona dan maar als een cycloop rond.

Ondanks de Passo Auw blijf ik de Maratona dles Dolomites toch een knalorganisatie vinden. Live op Rai 3, een zegen van de pastoor voor de start, een heuse koerssfeer (op z’n Italiaans), een verkeersvrije omloop (= knallen in de afdalingen!), op en top waar voor je geld en… de Dolomieten om je heen. Wat wil een fietser nog meer? Of ik volgend jaar terugkom, weet ik nog niet. Misschien. Maar dan is er één voorwaarde aan verbonden: als ik terugkom, wil ik eens in een supervorm verkeren. Dan wordt ‘vierkant draaien’ eindelijk eens ‘klimmen’ in de ware zin van het woord. Begin juli in vorm zijn is me eigenlijk nog nooit gelukt. Supervorm komt in mijn geval doorgaans begin augustus. Ik ben een man van het najaar. Om daar ook dit jaar in te slagen, heb ik nog werk. De volgende acht dagen verblijf ik niet toevallig in Bormio, aan de voet van de Stelvio en op een steenworp van Livigno, een gekend stageoord voor de niet-Tourrenners in deze tijd van het jaar. Ook Philippe Gilbert is er vanaf volgende week. Doelstelling: hard trainen in Italië om top te zijn in het najaar. Awel, ik ben van plan om ook eens een ‘Gilbertke’ doen.

De Passo Auw.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Frederik Backelandt

Nummer 60

Domani Maratona dles Dolomites. De trui hangt klaar. Ik kijk vanop mijn hotelkamer uit op de Dolomietenpieken. Ze lachen. Nee, erger: ze grijnzen. De Passo Giau grijnst het gemeenst van allemaal. Mijn zwarte beest. Al twee jaar op rij. Derde keer, goede keer dan maar? Alles is goed om me op te peppen. De Giau met zijn 10 steile kilometers zit tussen mijn oren. Morgen probeer ik vriendjes met ‘m te worden. Hopelijk is het wederzijds.

Mijn trui hangt al klaar, zei ik. En op dat shirt heb ik ruim twaalf uur op voorhand mijn startnummer gespeld. Getuigt van motivatie, niet? Mijn rugnummer is zestig. 60. Bijzonder? Ik weet het niet. Ik zoek maar vind niet meteen iets in de getallensymboliek. Nico Mattan zou me ongetwijfeld kunnen helpen. Hij is een kei in de ‘bijgeloofnumeriek’. Da’s een wetenschap apart waarin Nico doctor honoris causa is. Ik niet. Ik grasduin in de wielergeschiedenis maar vind niet meteen een aanknopingspunt bij 60. Soit, het is maar een nummer als een ander. Zoals er hier een kleine 10.000 zijn. Ik rij morgen gewoon en zie wel.

Het is mijn derde Dolomietenmarathon. Ambities? Die zijn bijgesteld na de tendinitis die mijn knie vanaf halfweg mei tot halfweg juni parten speelde. Geen maand op een normale manier kunnen trainen en dus kan ik morgen misschien voor het eerst genieten van het Dolomietendecor. “Jaja, op voorhand uitvluchten zoeken”, hoor ik jullie al denken. Ik snap het wel maar eerlijk: ik ben blij dat ik hier morgen aan de start sta en dat ik weer pijnvrij fietsen kan. Want even dreigde dat opspelende knieletsel het een en ander in het water te doen vallen. Kijk naar wat Boonen overkwam: geen BK, geen Tour. Reden: knieproblemen. Nee, echt: ik ben opgelucht dat ik 138 km mag afzien op de Italiaanse passi. Op de Campolongo, de Pordoi, Sella, Gardena, Giau, Falzarego en Valparola. De Campolongo doe ik notabene drie keer. Twee keer in de race zelf, een derde keer om het af te leren… om van finishplaats Corvara in Badia weer in het hotel te geraken. Cool.

Ik ben afgedwaald. Startnummer zestig… Wat gebeurde er 60 jaar geleden? In 1950 etaleerde Fausto Coppi in het noorden: hij won Parijs-Roubaix en de Waalse Pijl. Maar in de cols was hij dat jaar niet op zijn best. Ai, dat helpt me niet echt verder. Ik ben hier immers omringd door bergen. En een renner met startnummer 60 in deze Tour de France is er niet. Ook niet bepaald een gunstige gedachte. Nog een poging… Euh… Hebbes! 51 is, dat weet iedereen, het legendarische rugnummer van Eddy Merckx in de Tour de France 1969. De Tour waarin de Kannibaal werd geboren. En 5 + 1 staat gelijk aan… 6 + 0. Woehoe! Yes, ik ben ‘startnummergewijs’ verbonden aan de Merckx van 1969, toen hij op zijn best was als klimmer! Van een gunstig voorteken gesproken! En toch… is er geen garantie op een Merckxiaanse prestatie. Totààl niet! Als de verzuring morgen toeslaat, sta ik daar te schilderen met mijn bijgeloof.

De trui hangt klaar... met rugnummer 60.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Frederik Backelandt

Zo macho!

Onlangs maakte ik de test mee van het prototype van de nieuwe Eddy Merckx EMX-7, een carbon racer die straks voor 10.000 (!) euro over de toonbank rolt. Allerminst klein grut dus. Gek is het eigenlijk niet want het allerduurste segment in de fietsmarkt boert goed. Kijk maar eens rond in het wielertoeristenpeloton, het beste is vaak niet goed genoeg. Met glimmende en afgetrainde kuiten, flashy pakjes en peperdure fietsen en wielen, wordt wekelijks present getekend voor de zondagse rit. Zo macho. Ze heb zoveel brio, ze zijn zo picobello.

Het kadert in een ruimere tendens. Het gaat er immers allemaal zo serieus aan toe in het wielertoeristenpeloton. Iedereen is zo gefocust, iedereen staat zo messcherp. Een fietsjaar zonder op stage te zijn geweest is bij voorbaat al mislukt. De Ronde van Vlaanderen wordt een ‘doel’, de Marmotte een ander ‘piekmoment’. En een zondags clubritje krijgt soms de allure van de finale van een Touretappe. Hoe hoger de gemiddeldes, hoe beter. De mentaliteit van sommige wielertoeristen is fors veranderd in tien jaar tijd. Zo macho. Ze vinden zich Apollo, ze voelen zich zo Rambo.

Een beetje macho zijn op de fiets geeft niks. Helemaal niet! Ik doe er eigenlijk ook aan mee. Investeren in je hobby is geenszins verboden! Rijden met het hipste en duurste materiaal is fun! Alleen, blijf je plaats kennen eens je op de weg komt. Een wielertoerist(e), hoe gesofistikeerd hij of zij ook voor de dag komt, is geen wielerprof. Sommigen wanen zich dat wel, wat leidt tot roekelozer (en dus ongewenst) fietsgedrag. Geniet van de zomermaanden en fiets proper!

(Frederik Backelandt, Grinta! 20, 2010)

De Merckx EMX-7: voor 10.000 euro over de toonbank. Da's geen uitzondering meer.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Frederik Backelandt

De Bal, Decloedt en de Tour 1971

In de jaren ’60 en ’70 was de kermiskoers in Mortsel-Oude God een van de hoogtepunten van het jaar. Voor de start vergaapte ik me aan de renners die ik kende van mijn verzameling bladwijzers van Poeders Mann: Piet Oliebrandt, Jos Boons, Willy In’t Ven, Willy Van Neste, Daniel Vanryckeghem. Ook de botervloot van Rik Van Looy (Solo Superia) was er, weliswaar zonder admiraal: Edgard Sorgeloos, Julien Stevens, Robert Lelangue, Palle Lykke. En de Flandriens van Flandria: Romain De Loof, Flory Ongenae. En de nieuwe lichting Noëls: De Pauw en Vanclooster. Tussen al die vedetten van net een tandje minder keek ik telkens uit naar de renners van het legendarische Kas en dat andere Spaanse team, Fagor: Domingo Perurena, Jesus Aranzabal, Luis Pedro Santamarina. Wat kwamen zij bij God in den Oude God zoeken? Van school kende ik Alva, Cortès en Quichote, maar een levende Spanjaard had ik nog nooit gezien.

In die tijd liepen alle cafés in de Edegemsestraat vol voor het evenement van het jaar. Een van die cafés organiseerde jaarlijks een vogelshow met tombola. Met de eerste enveloppen die ik uit een schoendoos haalde won ik twee parkieten: een groene en een blauwe. De groene doopte ik vertrouwelijk Domingo, de blauwe wat afstandelijker Aranzabal. Ik hield het hier bij de achternaam: Jesus leek mij te link. Toen ik triomfantelijk met mijn trofeeën thuis kwam, vloog ik per kerende met Domingo en Aranzabal van de derde verdieping de straatstenen op. Domingo en Aranzabal pasten niet in een interieur van tinnen bekers, porseleinen vazen met bloemmotief en brokaten onderleggers. Mijn vriend die in zijn tuin al een aantal eenden grootbracht, heeft Domingo en Aranzabal dan maar asiel verleend. Sindsdien heb ik Domingo Perurena en Jesus Aranzabal nooit meer in Mortsel zien koersen.

Drie jaar later fietsten we met een twaalftal zestienjarigen van de Chiro naar onze kampplaats in Bouillon. De meesten van ons waren wielergek en kropen in de naam van een wielervedette. Henk, verdienstelijk klimmer en lichtgewicht, koos voor Lucien Van Impe. Patrick, gestroomlijnd tijdrijder, was Bernard Thévenet. Danny, die nogal roekeloos reed en meermaals onderuitging, was onze Joaquim Agostinho. In het peloton hadden we nog een Mortensen, Guimard, Vanspringel, Godefroot en Lopez Carril. Leider Dirk, drie jaar ouder, koos logischerwijze voor Poulidor. Kwam hem goed uit: Raymond was een aimabel man en had de sympathie van de vrouwen. Zoetemelk kregen we niet verkocht. Hollander, melk en wieltjeszuiger: met dat stempel wilde niemand de Ardense hoogten over. Van Eddy Merckx bleven we af. Daarmee kon je je alleen maar onsterfelijk belachelijk maken. Al was ik Domingo en Aranzabal al lang vergeten, het Spaanse zat er nog altijd in. Omdat ik mezelf als rasklimmer zag, droeg ik het zelfgemaakte geel-blauwe KAS-truitje van de klimgeit José Manuel Fuente: de springveer die aan de voet van de bergen  Eddy Merckx met verbluffend gemak uit de wielen reed, maar op het einde van de rit meer dood dan levend en minuten later dan Merckx over de finish stotterde. Wie de kannibaal tartte, moest er vroeg of laat aan geloven. Zeker de Iberiërs. José Manuel Fuente was uiteindelijk maar zeven jaar prof en stierf op 51-jarige leeftijd aan een mysterieuze ziekte. Luis Ocana, die één Tour van Merckx won, schoot zich nadien een kogel door het hoofd en Joaquim Agostinho, die het koersen niet kon laten, buitelde op 42-jarige leeftijd over een hond en bleef voorgoed op het asfalt liggen.

De mietjes die om allerlei redenen niet op de fiets maar in de bezemwagen de tocht naar Bouillon maakten, riepen me meermaals schimpend toe dat zij dan wel niet veel van de koers kenden, maar dat de klimstijl van de echte Fuente toch wel sierlijker was. De lafaards vergaten er natuurlijk bij te denken dat dat verwend Spanjaardje niet met een rugzak vol eetgerief, witte bonen, spaghettisaus, propere kleren én een Canadees tentje naar boven moest.

De minder koersgekke en matig getalenteerde medekampeerders kozen uit zelfbehoud voor namen van mindere goden. Onder hen Luc en Marc: die identificeerden zich met de koningen van de kermiskoersen van die dagen. Luc was Alfons ‘Fonske’ De Bal en Marc – in die dagen had je naast een Luc altijd een Marc – was Freddy Decloedt. Nu moet je die twee kermiscoureurs niet onderschatten. De Bal en Decloedt fietsten meer palmen en bloedworsten bij elkaar dan Perurena, Santamarina en Aranzabal in hun carrière ooit hebben gezien. Naast het gegeven dat namen als Bal en Cloedt het bij zestienjarigen goed doen, vond Luc Fons De Bal een interessant renner. Zijn broer vlooide voor hem uit dat Fonske voor de ploeg ‘Oude Genever Geens’ reed en later naar ‘Hertekamp’ was overgestapt. Luc vond dat een consequente carrièreplanning. Marc, al heel jong beenhouwersgast, zag iets in Freddy Decloedt omdat die bij ‘Pull Over Centrale’ zat. Als je op je zestien elke morgen om zes uur de koelkamer in moet, kan je zo’n team wel appreciëren.

Tijdens de lange rit naar Bouillon zagen we elkaar enkel op de afgesproken bevoorradingsplaatsen. Vooral Decloedt en De Bal hadden het moeilijk met het tempo. De strijd tussen Van Impe, Fuente, Agostinho en Thévenet ging aan hen voorbij. Op de laatste helling richting kampplaats – een helling buiten categorie – waren Lucien, Bernard, Joaquim, ik en het moeizaam aanklampende peloton niet weinig verbaasd toen Decloedt en De Bal ons zo maar voorbij fietsten. Die smeerlappen waren erin geslaagd een bestelwagen met vrouwelijke (!) chauffeur tot stilstand te brengen, hun fiets en bagage in de laadbak te stoppen en op de bank naast de jonge vrouw de achtervolging in te zetten. Op enkele tientallen meter van het peloton sprongen zij, uitgerust en bol van het testosteron, opnieuw de fiets op en zetten, bevrijd van alle bagage, de achtervolging in. Ze reden ons met een vernietigende glimlach een voor een voorbij. Toen wij hijgend en puffend de kampplaats bereikten (José Manuel Fuente kwam wel als eerste boven), stonden De Bal, Decloedt en Muriel (!) ons aan de ingang op te wachten. Het hele kamp, tien dagen lang, jenden Bal en Cloedt ons met het papiertje waarop Muriel met verleidelijke krullen haar adres en telefoonnummer had achtergelaten. “Spelen jullie maar coureureke, wij spelen volgende week wel met iets anders!”

Volgens de Wielerwebsite stelt Alfons De Bal (65) het wel. Freddy Decloedt overleed in 2006 op 62-jarige leeftijd. Met Henk, Patrick, Danny, mezelf en de anderen gaat het van goed over behoorlijk tot we mogen niet klagen. Luc en Marc verging het minder goed. Luc werd vrij vroeg werkloos, raakte aan de drank en verblijft nu in een psychiatrische inrichting. Marc opende een eigen slagerij, ging failliet, liet vrouw en drie kinderen in de steek en trok naar Spanje. Muriel heeft een goeddraaiend hotel langs het parcours van Luik-Bastenaken-Luik. Een Luc of een Marc kan ze zich niet meer herinneren.

(Een spontane bijdrage van Jan Van den Bossche, 10 juli 2009)

Freddy Decloedt overleed in 2006.

Alfons De Bal stelt het nog goed.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Extra

Alles kaputt fahren

Spartacus. De locomotief van Ittigen. De brommer uit Bern. Of eerder: de Harley. Of was het een Hummer? Een pletwals. Een ‘Platwalzer’. Een tank. Een Zwitserse metronoom. Een fenomeen. Een beest. Buitenaards. Merckxiaans. Er werd kwistig met superlatieven gestrooid toen Fabian Cancellara onlangs ‘onze’ klassiekers kwam veroveren. Volledig terecht. Vind ik. Wie wordt immers niet stil van de robuuste schoonheid van die messias op twee wielen? Hallelujah!

Het is niet alleen zijn enorme vermogen dat me wegblaast. Niet alleen zijn imposante verschijning. Niet alleen die glimmende supervorm die hij op zijn hoogdagen uitstraalt. Het is niet alleen zijn mentale oerkracht die hem ‘hors catégorie’ maakt. Er is méér aan de hand. In 2006, twee weken voordat hij zijn eerste Parijs-Roubaix won, liet ik Cancellara een blonde Leffe drinken voor de start van de Brabantse Pijl in Zaventem. Het was weliswaar ‘voor de foto’ maar hij deed meer dan nippen. Het schuim stond ‘m aan de lippen. Het typeert hem: als hij iets doet, doet hij het ten volle, met overtuiging.

Cancellara is de ambassadeur van de ‘grinta’. Geloof maar dat hij, de polyglot, het woord kent. Hij past het in elk geval geregeld in de praktijk toe. Wat zo innig mooi is aan Cancellara, zijn niet zozeer die overwinningen op zich, zijn niet zozeer die streepjes achter zijn naam. Maar wel de manier waarop hij het klaart. Alles kaputt fahren, weet je wel?

Nooit vergeet ik de passage over de Koppenberg tijdens de Ronde van Vlaanderen 2009. Het draaide al dat hele voorjaar in de soep voor Cancellara. Ook op de puist van Melden waar hij stond geparkeerd door een afgeknakte ketting. Cance maakte rechtsomkeer, de dieperik in, keilde zich de steile Koppenberg af. Met de ketting niet achtergelaten in de berm maar… over zijn brede schouderpartij gedrapeerd. Superman is ook nog eens een propere fietser. Hallelujah! (bis)

(Frederik Backelandt, Grinta! 19, 2010)

(Foto: Pol De Wilde)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Frederik Backelandt