februari 5, 2010

De Witte Dame

Fausto Coppi, de legendarische Italiaanse wielerkampioen, is dit jaar vijftig jaar overleden. De man, meer mythe dan mens, mag aanspraak maken op de titel van meest tot de verbeelding sprekende wielrenner aller tijden. Niet alleen door zijn talrijke overwinningen, niet alleen door zijn onmogelijke ontsnappingen en solotochten, niet alleen door zijn legendarische strijd met zijn antipode Gino Bartali, niet alleen door zijn te vroege en mysterieuze dood op 40-jarige leeftijd. Maar vooral door een vrouw. Door zijn fascinatie voor een dame in het wit.

Fascinatie doet sneller fietsen, dàt steek ik vooral op van Fausto Coppi. Ik heb het over fascinatie voor een vrouw. Als historicus weet ik dat je vooral dingen leert uit het verleden. In dit geval: de love story van Fausto Coppi en zijn ‘Dama Bianca’. Het is het verhaal van de campionissimo die zijn hart verpandde aan de mooie Giulia Occhini die steevast in het wit gekleed was. Zij was zijn fan, raakte begeesterd door de mythe Fausto Coppi toen die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog ontbolsterde als superkampioen. Fausto is op dat moment gehuwd met zijn jeugdliefde Bruna. Maar het huwelijk loopt niet lekker. Fausto vindt Bruna te koel, te strikt. Het uitpraten zit er niet in. Bruna is niet tuk op de koers, terwijl dat net Fausto’s leven is. “Het is een lust om te leven omdat het een lust is om te fietsen”, zegt die. Een slogan die Bruna als een vloek in de oren klinkt. Coppi koerst aan de lopende band. Hij wint alles. Maar hij voelt zich leeg vanbinnen.

Tot Giulia ‘La Bella’ door zijn hoofd begint te spoken. Ze is mooi. Heel mooi. Ze ontmoet Coppi voor het eerst op 8 augustus 1948. Op dat moment is hij voor haar een held en dus volkomen onbereikbaar. Ze fascineert zich voor hem. Almaar meer. In 1950 bezoekt ze hem in het ziekenhuis. Coppi ligt in de lappenmand. Fysiek en mentaal zit hij aan de grond. Giulia, volledig gekleed in het wit, komt hem moed inspreken. Fausto apprecieert het gebaar. En meer dan dat. Cupido moeit zich nu met het zaakje. Fausto is verloren. Ze worden verliefd. Al is die verliefdheid aanvankelijk gestoeld op niets. Op fascinatie, op een enkele ontmoeting. Het is het dwaze maar tegelijk het mooie aan verliefdheid.

Het is in elk geval voldoende om Coppi voortaan op een wolkje te doen leven. Hij fietst ook op een wolkje. Wanneer Giulia de wielerwedstrijden bijwoont waaraan hij deelneemt, fietst hij twee keer zo hard. In 1952 is Coppi buiten categorie, wint hij zowel de Giro als de Tour. Zijn honger geraakt maar niet gestild. De motivatie die zoek leek, is helemaal terug. De fascinatie voor de dame in het wit bleek de remedie. In 1953 wint hij op de valreep zijn vijfde Ronde van Italië. Kort na die eindzege spreken Fausto en Giulia af. Ze kussen elkaar voor het eerst.

Coppi’s laatste doel in 1953 is het wereldkampioenschap. In het Zwitserse Lugano wil hij eindelijk die regenboogtrui veroveren, een trofee waar hij al zo lang op aast. Als een bezetene werkt Coppi naar dat WK toe en op de dag van de waarheid zelf is hij onhoudbaar. In de buik van het peloton zijn de geruchten van de Witte Dame dan al hardnekkig. Ze worden hard gemaakt wanneer Coppi tijdens de podiumceremonie de regenboogtrui en bloemen ontvangt uit handen van Giulia. Ze is gelegenheidsbloemenmeisje en voor deze ene keer getooid in het zwart. Een schandaal is geboren. Het vrome Italië is geschokt en spuugt de nieuwe wereldkampioen uit. De affaire kost hen allebei bijna de kop maar, zoals dat hoort, sterven de pesterijen een stille dood en overwint finaal de liefde.

Wanneer de legendarische ploegleider Lomme Driessens ooit werd gevraagd of de Witte Dame al dan niet een gunstig effect heeft gehad op de carrière van Coppi, was hij resoluut. “Ze overmeesterde hem. Zonder die affaire had Coppi een nog rijkere erelijst bij elkaar gefietst.” Lomme kon het weten, hij werkte jarenlang nauw samen met Coppi. Of mogen we zijn mening in twijfel trekken? Coppi reed enkele van zijn meest tot de verbeelding sprekende wedstrijden met alleen maar fascinatie of ontluikende verliefdheid als doping. Het is de meest natuurlijke vorm van doping die geen enkele commissaris van de Internationale Wielerunie of het Wereld Antidopingagentschap kan traceren. “Wat er ook gebeurt, ik kan alles aan”, vertrouwde Coppi een collega toe aan de vooravond van het WK in Lugano. Een dag later mocht hij zich wereldkampioen noemen.

Ik hoop dat mijn Witte Dame op 19 september 2010 ook langs de kant van het WK-parcours staat. In Lierde, langs het parcours van het WK voor journalisten, waar ik op zoek ga naar mijn derde wereldtitel. Voor eigen volk, op een steenworp van mijn deur. De druk voel ik nu al. Thuisvoordeel? Ik durf dat te betwijfelen. Het is bijna van moeten, heb ik de indruk. Ik wil natuurlijk wel winnen. Zoals Coppi in Lugano. En net als bij Coppi mag zij de inspiratiebron zijn. Ze mag in het wit zijn gekleed. Of in het zwart. Maakt me niet uit. Zolang ze me maar sneller doet fietsen. Zoals Coppi.

Coppi: wereldkampioen in 1953 dankzij een dame in het wit/zwart.

januari 15, 2010

The second (female) opinion

Ik benijd mijn vrouw. Niet omdat ze onlangs oerkreten producerend onze eerste koter op de wereld heeft gezet en ook niet omwille van haar geduld, een noodzaak als je met mij wil samenleven. Nee, mijn vrouw heeft het grote voordeel dat ze van motoren en fietsen – nota bene mijn twee passies – geen fluit verstand heeft. Ik wou dat ik, net als haar, niet gehinderd door enige kennis van zaken mijn mening zou kunnen geven over een motor of een fiets. Het verschil tussen een Ducati tweecilinder en een Honda viercilinder kent ze niet, net zoals ze geen Ridley van een Cannondale kan onderscheiden en volgens haar een mountainbike slechts in details verschilt van een baanfiets.

En toch benijd ik mijn vrouw. Als er weer eens een redactiemotor of testfiets in de garage staat, kan ze binnen de drie seconden melden wat er mooi dan wel lelijk aan de tweewieler in kwestie is. Terwijl ik naga of de remgrepen goed in de hand liggen, hoe dat balhoofdsysteem nu eigenlijk in mekaar steekt en of de wielen wel zijdelings stijf genoeg zijn, beperkt mevrouw zich tot de esthetische kant van de zaak. Of er nu ‘Cannondale’ dan wel ‘Ridley’ of ‘China Bike Corp.’ op de onderbuis staat zal haar worst wezen want bij geen van die merken kan ze zich een bedrijf en/of mate van technische innovatie voorstellen. En dus meldt mijn vrouw doodleuk dat die rood/wit/blauwe van vandaag veel mooier is dan die zwarte van gisteren want die gebogen buizen en dat rood/wit/blauw zijn frisser dan dat bombastische zwart. Dat er een prijsverschil van tweeduizend euro mee gemoeid is, dat de frames van verschillende materialen zijn gemaakt en dat de twee fietsen waarvan sprake totaal anders rijden, beseft ze niet en eigenlijk wil ze het helemaal niet weten. Ik probeer het haar ook niet uit te leggen, hou haar op vlak van fietstechnologie bewust dom uit schrik haar onbevooroordeelde second opinion kwijt te geraken. Want eens ze weet dat ‘China Bike Corp.’ schaamteloos copies maakt zonder iets zelf te ontwikkelen, zou ze die fietsen misschien ineens niet meer mooi kunnen vinden.

Zeer vaak gebruik ik haar opmerkingen in de artikels die ik over motoren en fietsen schrijf. Zo’n onbevooroordeelde mening kan – indien zorgvuldig ontleed en juist gebruikt – je immers behoeden voor een miskoop. Verblind als we soms zijn door de merknaam op de onderbuis of dat schitterende balhoofdplaatje laten we ons niet zelden meeslepen en gaat de portefeuille te wijd open. Met impulsaankopen van het genre ‘Wauw, die moet ik hebben’ is niks mis, tot je drie weken later ontdekt dat het in deze lastige economische tijden ook wel met een fiets van duizend euro minder had gekund. En dus zal ik voor de aankoop van mijn volgende racefiets de andere helft van mijn trouwboek meenemen naar de fietsenwinkel. Terwijl ik daar naga of de remgrepen goed in de hand liggen, hoe dat balhoofdsysteem nu eigenlijk in mekaar steekt en of de wielen wel zijdelings stijf genoeg zijn, zal vrouwlief in de winkel op zoek gaan naar de mooiste fiets. Meer dan vermoedelijk spaar ik met de opvolging van haar advies een pak duiten uit en zal ik die meteen kunnen investeren in het eerste fietsje van onze koter. En dan maar hopen dat hij later ook in remgrepen zal knijpen, balhoofdstellen zal ontleden en wielen controleren op hun zijdelingse stijfheid. Want aan een third opinion zonder kennis van zaken heb ik nu ook weer geen behoefte.

januari 11, 2010

Lex sed dura lex

Lex sed dura lex. De wet is hard, maar het is de wet. Ik heb het over de wielerwet. Geen hardere wet dan de wielerwet. En vooral dan de wet van de pech. Kan iedereen overkomen, schuilt achter elk hoekje, niemand die ervan gespaard blijft. In Les Trois Ballons van 2009 werd ik met pech geconfronteerd, tot drie maal toe. Te veel pech op één dag voor één mens.

Jammer, want een verbetering van mijn tijd van vorig jaar (7u2′) zat er zeker in. Het fatum slaat voor de eerste keer toe bij de overgang van de Brammont naar de Herrenberg, de klimmen die Le Grand Ballon inleiden.

Derailleurproblemen doen mijn ketting finaal in een Gordiaanse knoop belanden. Groepjes flitsen me voorbij. “Het is over”, denk ik, terwijl ik maar verder knoei met die ketting en mezelf ook nog eens kwets. Het bloed druppelt op de achtertrein van het witte Concorde-frame.

Net voor de moed me helemaal in de schoenen zakt, arriveert een reddende engel. Als een deux ex machina. Zijn naam: Mike Velter. Neen! Niet Veltec! Mike Velter, mecanicien bij Veltec Benelux, is dit weekend gastfietser van het Veltec Team Granfondo in Les Trois Ballons. Voor hem blijkt een Gordiaanse kettingknoop ontwarren blijkbaar wél een koud kunstje.

Ik kan weer op weg! Hoeveel tijd ik verloren heb, is me onduidelijk. Maar ik wil en zal er nog wat van maken. De benen voelen immers super aan, beter dan vorig jaar. Hoe ondankbaar het ook oogt, ik moest vooruit en laat Mike ter plekke op de Herrenberg.

Ik haal groepje na groepje, enkeling na enkeling, in. Net voor het begin van de Route des Crêtes kom ik bij een groepje met Charles Lindelauf erin. Ook Veltec-gastrenner van dienst. Een korte blik opzij en dan zet ik gewoon door, zonder omkijken. Volle gas over de Route des Crêtes. Het kan me geen moer schelen, ik moet vooruit! Charles maakt ook de sprong en samen maken we er een koppeltijdrit van.

Net voor de top van de Grand Ballon hebben we de grote groep met Edith en Hendrik te pakken. Yes! Ik kan hier echt nuttig zijn en werk opknappen om Edith aan een toptijd en het podium te helpen. ‘Goed bezig’ dus! Ook op de lastige Hundsruck. In de afdaling loopt het echter fout.

Ppppsssssssssshhhhhht! Lek achteraan. Vloeken en tieren natuurlijk. Maar goed: morren helpt niet, doen! Intussen rijdt Charles weer voorbij. Hij was even gelost in de slotfase van Le Grand Ballon. Nieuwe band erin én gelukkig kan ik gebruik maken van de voetpomp van 2 Fransen die zo vriendelijk zijn me te helpen.

Weer op weg dus! Maar je beseft dat het als enkelingen opnieuw vechten wordt tegen de bierkaai. Zeker in het lastige tussenstuk tussen Hundsruck en Ballon d’Alsace. En geen ziel die Charles en mezelf wil helpen in de ‘achtervolging’. We verschieten cartouches aan de lopende band, op stukken op het parcours waar je jezelf normaal gezien hoort te sparen.

Op de Ballon d’Alsace, de eerste Tourcol uit de geschiedenis waar René Pottier in 1905 als eerste bovenkwam, krijg ik het lastig. De mentale uppercuts, de brandende zon, de verspeelde energie, de oplopende stijgingspercentages: alles komt samen. In de afzink vormen we dan toch een groepje waar er wat samengewerkt wordt. Maar van harte is het nooit.

Voorbij Champagney ligt La Planche des Belles Filles ons op te wachten. Met z’n vieren rijden we vooruit, weg van een grotere groep. Tot in het dorpje van Plancher-les-Mines, aan de kerk, mijn achterband het begeeft. Derde keer pech op een zucht van de finish! Gelatenheid natuurlijk. Eigenlijk is het zelfs lachwekkend. Maar het is de realiteit. De harde wet van de wielersport heeft mij vandaag uitgekozen als lijdend voorwerp.

Ik klok op La Planche af na 7 uur 36′. 34′ minder snel dan vorig jaar. Wat als die pech was uitgebleven? Tja, dan had ik zeker 10′ beter gedaan. Maar goed, ik wil niet ‘ouwehoeren’. ‘Als’ en ‘indien’ rijden altijd mee in de koers, maar een koers wonnen ze nog nooit. Ook dat is een harde wielerwet.

Fantastische rit overigens, die Trois Ballons. Elk jaar opnieuw rond half juni. Lang (205 km) en pittig weliswaar. Toetje is La Planche des Belles Filles. De naam doet allicht veel moois vermoeden. Maar de ontgoocheling is groot eens je eraan begint. La Planche is een moordende klim: 5 km klimmen aan 9 tot 11%. Kan tellen na 200 km racen door de Vogezen.

René Pottier: in 1905 primus op de allereerste Tourcol, de Ballon d'Alsace, vandaag scherprechter in de cyclo Les Trois Ballons.

januari 8, 2010

Cyclocross haikus

Dinsdag 29 december. Loenhout lijkt wel bezet gebied. Tijd voor cyclocross. Ik denk terug aan de gevleugelde woorden van wijlen mijn grootvader wanneer we samen naar Sportweekend keken: “Cyclocross? Cyclosmos, ja!”. Inderdaad, de overvloedige sneeuw van de afgelopen week is verdwenen. De bovenlaag is herschapen in een genadeloos modderbad.  Het is fris, maar ik ben erop gekleed. (Alleen die dekselse tenen blijven een probleem ondanks de dikke wintersokken.) Volk, veel volk. Leg dit concept uit aan een Spanjaard of Portugees en hij verklaart je zot.

Een muts, sjaal, laarzen

Gewapend tegen de kou

Geniet het publiek

Even nog mijn gezelschap en mezelf voorzien van een jeneverke. Eeuwig galant. Eeuwig gewachten ook aan de drankstand. Al goed dat het groot scherm wat leuke beelden geeft. De plaatselijke Waldorf en Statler zijn de commentatoren van dienst.  We zoeken ons het perfecte plekje. Aan een bocht. Onderaan de brug. Zo zien we onze moddergladiatoren tweemaal passeren binnen de minuut. Ik zet mijn geld op Sven Nys. Door pech moeten opgeven in de vorige cross… dan is Svenneke uit op revanche. Toch kleurt Stybie Stybar de eerste ronden. Na enkele ronden krijgen we waarvoor we gekomen zijn: een titanenstrijd Stybar-Albert-Nys. Voor de humoristische noot zorgt de rode lantaarn: een verloren gereden slungel uit het verre Mongolië mijmerend over zijn geliefde steppe.

Het slijk der aarde

Superhelden op de fiets

Meer moet dat niet zijn

Na de vijfde ronde ga ik nog even bijtanken. Mijn bottines verdwijnen in de modder. Ze blijven gelukkig aan mijn voeten hangen. Of is het omgekeerd? De drankstand is herschapen in een warzone. Charles Darwins theorie in de praktijk. De drank heeft hier al lelijk huis gehouden. Goed dat ik mijn dochters niet mee heb genomen. OK, gelukt, snel weer naar mijn vaste plek. SuperSven vliegt recht op me af. Dit klopt niet. Ik trek het koord naar achter. Hij vindt zo een stukje weg-geluk en mompelt “merci”. Ik dolblij… Niels Albert heeft het enkele meters later moeilijk. Een lekker vette “G*dverd*mme!” ontnapt uit zijn mond. Onze blik verlegt zich naar het grote scherm voor de laatste honderden meters van de koers. Sven wint autoritair. Dankzij…

Sven Nys, Niels Albert

Strijdend in de cyclocross

Koning Winter juicht

Sven Nys primus in Loenhout: Joost Houtman zag het gebeuren.

november 25, 2009

Merci, Frank

Het is 18 april 1999. Frank Vandenbroucke is klaar voor de start van Luik-Bastenaken-Luik 1999. Hij heeft opvallend fel gebronsde, glimmende benen. “Een speciale olie waardoor de benen er bruiner uitzien”, verklaart VDB. Later op de dag doet hij wat hij voorspelde: iedereen glad uit het wiel demarreren. Die dag, die 18de april, werd VDB TGV geboren. Mijn God op twee wielen. VDB werd mijn idool, mijn held.

Die 18de april besloot ik te gaan fietsen. Want ik wilde VDB zijn. Fietsen met de handjes bovenop op het stuur, weet je wel. Ik wilde fietsen zoals VDB. Met glimmende, bruine benen. Met witte oversokjes. Met grinta. Alleen de haren verven: dat was een stap te ver.

Tien jaar later is Frank niet meer. Hij was al lang geen VDB meer voor mij, hij was in de loop der jaren gewoon Frank geworden. Een mens, geen God meer. Naarmate ik in de wielerjournalistiek rolde, leerde ik ‘m kennen. Tijdens de zeldzame hoogtepunten die hij als coureur nog had en tijdens de momenten waarop hij diep zat. Het jongste jaar werd het contact intenser. Frank woonde vlakbij. Hij was een innemend man, geen blaaskaak van het eerste uur. Hij wist wel beter, had al te veel meegemaakt.

We gingen samen fietsen. Dan plaagde hij graag door her en der prikjes uit te delen. Al was het een autostradebrug: hij wou als eerste de ‘top’ bereiken. Hij kickte erop, de fiets was zijn leven. Maar we babbelden ook tijdens het fietsen. Over het woelige verleden, het heden en vooral de toekomst. Hij piekerde erover maar ik suste. “De VDB van 1999 hoeven we niet meer te zien, Frank. Probeer gewoon weer coureur te zijn.” Het is hem gelukt.

Eind augustus fietste ik samen met zes Grinta!-ploegmaats 24 uur lang rondjes op het Circuit van Zolder. In de paddock sloeg ik nog een praatje met… Vic Van schil, de meesterknecht van Eddy Merckx, ook al zo’n crème van een mens die ons onlangs verliet.
Toen ik dan volle bak rondjes maalde op het Circuit zelf, hoorde ik plots iemand roepen. ‘Allez, Fred!’. Het was Frank. Elke ronde opnieuw diezelfde supporterskreet, gevolgd door zijn gebalde vuist: ‘Allez, Fred!’. Ik droeg die dag mijn regenboogtrui. Een trui die Frank nooit wist te veroveren. Ik schaamde me een beetje. Man, wat zou ik mijn regenboogtrui nu graag inruilen om Frank terug te krijgen.

Merci, Frank, voor de inspiratie die je me gaf om te beginnen fietsen. Je was een schone coureur en mens. Grillig, een ‘enfant terrible’ misschien maar vooral schoon.

Ik ben een fietsvriend kwijt. Maar ‘VDB TGV’ staat voor altijd op de Berendries gekalkt. Die slogan zal er blijven staan, no matter what.

(Frederik Backelandt, Grinta! 16, 2009)

Ik wilde fietsen zoals VDB.

november 25, 2009

Prijsbeest

Veel mensen zijn nieuwsgierig naar de prijzen die ik kreeg bij het winnen van cyclo’s. Hoeveel geld heb je verdiend? Werk jij eigenlijk nog? Soms is het toch een  teleurstelling. Al die uren pijn en ellende, voor een lelijke beker en een bos bloemen. Net een kind die een Playstation verwacht, vol enthousiasme het cadeaupapier aan flarden scheurt en stuit op een sponsen pyjama met streepjes. En van de natura prijzen van de plaatselijke sponsors – streektaarten, bier, wijn, worsten en hespen – word je ook niet rijker maar alleen maar dikker. Helmen en mannenfietsshirts zijn ook een klassieker, die doe ik cadeau of verkoop ik op het internet.

De mooiste zijn dan nog de waardebonnen om het lokale toerisme te promoten. Eén week in een huisje net naast het kerkhof; en één week voor één persoon – zo slim zijn ze wel – in een vier sterrenhotel. Nee, rijk word je niet van het winnen van cyclo’s. In het reglement van een cyclo staat het ook duidelijk vermeld. ‘Dit is geen wedstrijd. De tijd van elke deelnemer wordt individueel geregistreerd.’ Maar vanaf het startsein begint iedereen te koersen. Op het einde is er een klassement. Dus ik doe mee, ik wil winnen.

Bij de dames lukte dit aardig. 2009 werd het jaar van de grote doorbraak. Zes op negen, maar toch nog drie verloren. Ik maakte een eind aan de jarenlange hegemonie van de Française Muller en werd getroond tot nieuwe Marmotte Queen. De Otztäler werd de kers op de taart. Eerste dame, eerste Belg, 67ste algemeen en een nieuw vrouwelijk parcoursrecord. Op de avond van de overwinning moest ik  samen met de Italiaan Negrini, de ‘Ötzi King’, plaats nemen op een rijdend podium. We werden letterlijk naar voren gedragen. Ik geef het toe, het was lichtjes overdreven en ietwat kitscherig, maar ik heb ervan genoten. Tot het uiterste gaan, het leed delen met duizenden anderen. Plaats nemen op het hoogste schavotje en oprechte felicitaties. Voor één dag het prijsbeest zijn, daar gaat het om, mijn ultieme granfondogevoel.

(Edith Vanden Brande, Grinta! 16, 2009)

Edith Vanden Brande won in 2009 zowel Marmotte als Ötztaler.

november 25, 2009

Niels Albert is een tijger

Neen, je hoeft niet altijd te geloven wat er in de kranten staat. Zeker niet in dat ene rubriekje dat ‘horoscoop’ heet en dagelijks volgeschreven wordt door – zo ben ik haast zeker – een ongetrouwde tante die voor haar ongetwijfeld vet betaalde verzinsels nog een spaarpotje bijeen hoopt te krijgen voor een laatste facelift en een liposculptuur van buik en billen. Het moge duidelijk wezen: aan astrologie hecht ik weinig belang, laat staan aan glazen bollen, handopleggingen, Chinese dierenriemen of de verruiming van het zelfbeeld door het slurpen van rozenbottelthee of het snuiven van wierook in een visionaire trance van psychedelische muziek… Het tot tranen toe bewogen gevoel van kosmische leegte is mij vreemd. En om mij energetisch op te laden en een innerlijk evenwicht te vinden hoef ik mijn centen niet te vergooien aan dure cursussen Tai Chi of selfmanagment, mij evenmin toe leggen op de studie van het globale karma noch mij te verdiepen in de intrapsychische axenroos. Met een Chablis (Fillon & Fils, Saint-Bris-le-Vineux) en een gerust geweten raak ik ’s avonds ook best in slaap.

Maar het toeval is de wereld lang niet uit. Krijg ik toevallig en geheel onvrijwillig toch wel een soortement handleiding voor kaartleggers in handen zeker! Een boekje waarin de link wordt gelegd tussen de wondere symboliek van speelkaarten, geboortedata, geest en bewustzijn. En jawel, in een zwak moment besluit ik enig licht in de duisternis te laten schijnen en bijvoorbeeld bij 5 februari te kijken, verjaardag van ene Niels Albert. Zijn persoonskaart blijkt schoppenacht te zijn. Positieve eigenschappen: verstandig, wilskrachtig, behagend, snel. En, wat zegt het boek, als deze mensen in hun kaarten laten kijken? “Niet te stuiten ga je recht op je doel af met ongecontroleerde emoties of koele berekening als drijfveer. Je slaagt waar anderen falen…”

Kijk eens aan, was ik aan een biografie over Albert begonnen, dan had ik het niet beter kunnen omschrijven. Allé vooruit, even piepen bij 10 augustus, geboortedag van Bart Wellens. Persoonskaart: klaverenboer. Positieve eigenschappen: rechtvaardig, sociaal, trots, sterk. “Toewijding is je devies en ankerpunt. Je gevoel voor humor en je kwinkslagen bezorgen je veel vriendschap. Ondanks je opvliegende aard ben je toch een gevoelige natuur.” Bij 17 juni en Sven Nys: “Plichtsbewust, gepassioneerd, betrouwbaar.” Ik vrees dus dat ik mijn standpunt over occulte magiërs en mythische tekens zal moeten herzien. Vooral omdat ik, spijts die ouwe tante, daarbovenop toch ook eens de Chinese dierenriem ben gaan raadplegen. Bij 1986, het geboortejaar van Niels Albert hoort blijkbaar een tijger. Een tijger heet energiek, gevoelig, heldhaftig, onverschrokken maar ook ijdel te zijn. Wel wel, als dat niet over de wereldkampioen cyclocross gaat, dan weet ik het ook niet meer!

Toch nog eens die horoscoop proberen? 5 februari, dat is de Waterman. En diens energie “staat voor de behoefte om de aardse beperkingen te overstijgen om zo door grenzen heen te breken. Trefwoorden: authentiek, strevend naar vrijheid, onconventioneel, rusteloos, onnavolgbaar en onvoorspelbaar, gelovend in het onmogelijke, …”

Ja vooringenomen heer, kom maar tot inkeer. Zal ik die betweterige ouwe tante toch maar mijn excuses aanbieden en het recht opeisen om levenslang van mening te mogen veranderen? (En zeggen dat mijn geboortedatum samen valt met die van Kevin Hulsmans – en verder ook met deze van de zeer illustere ex-coureurs Jim Van de Laer, Ron Kiefel en de ‘would be’ renner Guy Verhofstadt. Al doet dit laatste hier helemaal niets ter zake…

(Patrick Cornillie, Grinta! 16, 2009)

Niels Albert: verstandig, wilskrachtig, behagend, snel.

november 25, 2009

Leve Walcheren

Onlangs ging ik fietsen op Walcheren. Met de Westerscheldetunnel als alternatief voor de puffende ferry van Breskens naar Vlissingen, is dit Zeelandse eiland sinds maart 2003 stukken makkelijker te bereiken. Met de auto Gent voorbij, dan richting Zelzate, in Terneuzen de Westerscheldetunnel in, Middelburg langs en fietsen uitladen op eindbestemming Zoutelande. Bij een ideale temperatuur van 20 graden volgden wij de kustlijn, langs het strand, doorheen de duinen, tot Veere, waar het landinwaarts ging om tussen struwelen en rijen canadapopulieren het fietsvriendelijke Middelburg te bereiken, waar l’embarras du choix wachtte bij het kiezen van een terras.

Zeeland, en bij uitbreiding Nederland, biedt paradijselijke fietsgebieden. Met afgezonderde, brede, goed onderhouden en veilige fietspaden, duidelijk gemarkeerd, glad wegdek, geen valkuilen. Een situatie die in niets te vergelijken is met de chaos waar de fietser in onze Atlantic Wall-kustgemeenten mee geconfronteerd wordt. In Koksijde bereed ik ooit een strookje fietspad dat warempel in een onaangetast stukje duinen lag, maar daar bleken zich ook auto’s en zelfs quads over te bewegen. Onze duinen, deze wezen van onze ongebreidelde immobiliëncultuur, zijn restgebieden tussen kilometerslange repen van torengebouwen.

Op Walcheren besef je pas hoe hachelijk fietsen het is in onze Vlaamse gemeenten en steden. Onlangs kreeg ik het helemaal op de heupen tijdens een fietsknooppuntentocht met start in het van lintbebouwing en tumoreuze verkavelingsdrift stijf staande Vichte (knooppunt 83). Het plat geürbaniseerde Zuid-West-Vlaanderen is hoe dan ook een hel voor de fietser, maar van een knooppuntenrit had ik een meer zorgenvrije namiddag verwacht. Wat een ellende! Putten, asfaltplakken, riooldeksels, goten, wortelknuisten, teerspleten, borduren, grint, verschuivingen, barsten, betonranden, olievlekken, scheuren, kuilen: een kruisweg was het, waarbij permanente alertheid was geboden om het wegdek te taxeren en wolfijzers en schietgeweren te ontwijken.

De tocht was bovendien gelardeerd met enkele bijnadoodervaringen. Onze landwegen zijn te smal voor de huidige standaardauto, laat staan voor protserige 4×4’s en roekeloze witte bestelwagens die zich doodergeren in het zog van een lamentabele wielertoerist die geen 30 per uur haalt en hem tenslotte van de sokken rijden. Op een dergelijk terrein is het gewoonweg niet leuk fietsen meer. Je zit constant te huiveren of je te ergeren in het zadel. Wat een verschil met Walcheren! Daar zit kennelijk de hele bevolking op de fiets. Wat betekent dit voor de Volksgezondheid? Heeft iemand het onmiskenbare effect daarvan ooit berekend? Tot welke minderuitgaven leidt een positief fietsbeleid voor de sociale zekerheid?

Fietspadenbeleid in Vlaanderen: men schildert links en rechts van het asfalt een strook van één meter breed in het rood, en maakt zich wijs dat er opnieuw enkele fietsstroken werden gecreëerd. Intussen blijven comfort en veiligheid op onze fietspaden ondermaats. Ter vergelijking: doe even Walcheren.

Begin september werd Patrick D’Haese, vroeger directeur van de Fietsersbond, opgenomen in het kabinet van minister Hilde Crevits als adviseur Mobiliteit, waarbij ondermeer Fietsbeleid onder zijn vleugels valt. Hopelijk bijt hij zich de tanden niet stuk op de immobiliteit van onze beleidsstructuren. Want op het terrein van de fiets blijft er nog een hoop te doen. Grinta! kan hier een voortrekkersrol vervullen.

(Rik Vanwalleghem, Grinta! 16, 2009)

Cartoon: Kurt Valkeneers (Klier).

november 25, 2009

Kermiskoersmuziek

Nog iets wat mijn wielerpetje te boven gaat: waarom wordt op televisie, bij sfeerreportages over coureurs, altijd loeiharde hardrock of hyperkinetische funk gedraaid? Terwijl je live, op de koersen zelf, steevast wordt getrakteerd op hoempapa en andere smartlapperij? Kan mij daar iemand een serieus en bij voorkeur wetenschappelijk onderbouwd antwoord op geven? Is daar overigens al eens onderzoek rond gedaan? Rond koers en muziek. Want geloof me, het genre bestaat wel degelijk. Koersmuziek! Want waar elders dan op een wielerwedstrijd hoor je de muziek die weerklinkt als op een wielerwedstrijd?

Begeef u naar het werkveld en u zult horen en zien. Bij het totaalpakket dat bestaat uit een goede plek langs het parcours, worstenkramen en biertenten, de cultuur van het reikhalzend uitkijken naar de renners, hoort het lichte lied. Het weergalmt op zo’n koers per definitie uit een slecht afgestelde, krakende en piepende geluidsversterking – uit tulpen die op betonnen stelen zijn gemonteerd – en deint uit over straten en pleinen, terrassen en rijen nadar.

Let wel, u hoort mij hier allerminst een denigrerend toontje aanslaan. Wel integendeel. Het is zelfs een onnavolgbare belevenis om in pakweg Zoerle-Parwijs of Rukkelingen-Loon poëtische ballades te horen als ‘Mandolines zingen zacht in Nicosia’ of ‘Bella Napoli’ (gevolgd door de beklijvende versregel “elke keer ben ik weer blij als ik je zie”). Klassieker in het genre is het verrukkelijke ‘Monia’, met het onsterfelijke refrein “Mo-ho-nia-ha-ha-a-a, Mo – ho-niaaaaaaa.”

Het laten uitgalmen der schoonste melodieën dient weliswaar als intermezzo, edoch geldt tegelijk als volwaardig onderdeel van het spektakel. Na het gejoel en het lawaai dat hoort bij de aankondiging van een peloton, na de toejuichingen en het applaus bij de doortocht, na het deskundige commentaar van de man aan de micro, is een juiste keuze uit de liederenkrans op zijn plaats. Op zo’n momenten wil het publiek niet tussen de hekken gejaagd worden door nerveuze beats en scheurende gitaren, hoopt de tooghangende toeschouwer zich niet te verslikken in het diep filosofisch geblaat van een singer-songwriter, mag de seingever niet overvallen worden met het Opus 32 Symphony nr.3 in C major van Nikolai Andreevich Rimsky-Korsakov. Neen. Laat hen allen in hun biotoop van zoetgevooisde gezangen en zoevende wielen.

Hoe dan ook: over de gevolgen van catchy toptienhits op het  wielervolk, over het smartlappengevoel dat een mens overvalt bij het aanschouwen van een peloton, over het ‘goe bezig’-zijn van een blatende kudde Planckaerts, over het kalmerend effect van André Hazes op een uitzinnige supportersklik…? Neen, nooit halen de resultaten van zo’n grondige studie de krantenkolommen. Kortom, er is werk aan de winkel, heren gewone en buitengewone hoogleraars, doctors in de sociologie en de antropologie, psychologen van het doortastende type.

Hebt u bijvoorbeeld al eens gemeten, geachte wetenschappers, hoe groot de manisch-depressieve gevolgen kunnen zijn voor de kranige tachtiger die zich, getooid met een koerspetje ‘Supporter Rik Van Looy’, aan een kraam over een rij gedroogde wijtingen buigt, net op het moment dat de Limburgse nachtegaal Dana Winner haar ‘Oude man en de zee’ uit de geluidsinstallatie laat weerklinken? En wat is de maatschappelijke relevantie in de nieuwste trend van refreinen als “Al wie da’ nie springt is homofiel” en “Weet je wat ik wil, een opblaaskrokodil, om in de zee te drijven, tussen de lekkere wijven!” – tegenwoordig te horen op alle cyclocrossen en kermiskoersen, in een gebied dat zich strekt van Hamont-Achel tot Hollebeke.

Welaan dan, hooggeleerden, musicologen en pedagogen! Waar wacht u nog op? Daal neder van uwer tronen. Stort u op een diepgravende wetenschappelijke studie omtrent dit onderwerp. Begeef u tussen het wielervolk. Observeer, noteer en concludeer!

(Patrick Cornillie, Grinta! 15, 2009)

Hoempapa en smartlapperij: eigen aan kermiskoersen.

november 25, 2009

Wollen worstenhelmenverhaal

Ik ben te oud geworden om nog onbezonnen dingen te doen. Als semi-kaalhoofdige naar Werchter gaan bijvoorbeeld. Of als wielerslak de Ventoux beklimmen. Ik wil geen oudere jongere zijn. Die hebben iets zieligs over zich. Kunnen geen afscheid nemen van wat onherroepelijk voorbij is. Waarom ik dan instemde met deelname aan de RetroRonde is me nog steeds een raadsel.

Eén seconde nadat ik die ochtend van de 28ste juni wakker was geworden, trof het besef van mijn retro-engagement me als een moker. Hoe dwaas kan een mens zijn! Om te beginnen: mijn conditie was even lamentabel als die van Michael Jackson tijdens zijn laatste levensdagen. Ik had de maanden voordien welgeteld 158 km gefietst. Oké, de RetroRonde is geen wedstrijd, het heet een nostalgische, recreatieve tocht te zijn in de beste Vlaamse stoeten- en processietraditie. Maar ik ken dat, mannetjes op een fiets. Of ze zich nu op weg begeven met een gerestaureerde Automoto-fiets of met de meest moderne monocoque carbontoestand, veelal zijn ze de speelbal van hun assertieve huppelhormonen. Er wordt uitgedaagd, gedemarreerd, gedemonstreerd en gepresteerd. Dit stond vast: met mijn aspergekleurige sperziebenen zou ik al op de helling van Moregemplein de geest moeten geven. Een afgang zonder voorgaande was in de maak. Bovendien: met welke machine en in welke outfit zou ik mij op niet al te belachelijke manier kunnen mengen tussen al dat gedreven sepiavolk?

Wat de fiets betreft had ik niet veel keuze. Ik moest het doen met de zilveren Koga Miyata-toerfiets die ik op een blauwe maandag begin jaren tachtig van vorige eeuw had gekocht om de eerste opstoot van Michelin-bandjes ter hoogte van de heup in de kiem te smoren. Het stalen vehikel droeg oorspronkelijk spatborden, bagagerekken voor en achter en bijkomende remgrepen bovenaan het stuur. Mijn ‘umbraco-remmen’, noemde ik die. Wellicht had ik het woord ‘umbraco’ ooit horen vallen bij de fietsenmaker. Toen ik de term ‘umbraco-remmen’ gebruikte in het bijzijn van Julien Devrieze, sinds de prehistorie fietsmecanicien van de allergrootste coureurs, kreeg hij zo’n lachstuip dat zijn middenrif nu nog steeds opspeelt. “Oembrako-freins”, schalde hij in zijn onvervalste Gents. Sindsdien probeer ik Devrieze in het publiek zoveel mogelijk te mijden. Want als ik hem onverwacht tegen het lijf loop, anticipeert mijn schaamrood nog altijd op zijn gegarandeerde vraag: “Ha Rik, oe ès dadde medda oembrako’s?”.

De bagagerekken en spatschermen zijn reeds langs van mijn Koga verdwenen. Maar die bovenstuurse remgrepen – ‘watjesremmen’ noemde iemand ze ooit – staan er nog steeds, als twee zwarte, horizontale stigma’s op het blazoen van de berijder. Een paar jaar terug had ik klikpedalen op mijn Koga gemonteerd. De rechtgeaarde RetroRonde-renner gebruikt uiteraard geen klikpedalen. Dus moest ik in kelder, zolder, tuinhuis en composthoop (waar ik ooit een aardappelmesje, een pollepel, een schroevendraaier en een Gardena-spuitkop in terugvond) op zoek naar de oorspronkelijke voetriempjespedalen. Het kostte me meer dan een uur voor ik ze, in een hoekje van ons kasteeltje (zoals wij ironisch ons moestuinhok noemen), terugvond.

Gelukkig was ik alleen thuis toen ik de pedalen verving. De scène zou een zeer geschikte bijdrage zijn geweest voor Funniest Videos. Voor ik doorhad dat er zoiets bestaat als ‘linkse’ of ‘averechtse’ draad – ik ben trouwens alweer vergeten of die op het linker- of rechterpedaal zit – zat ik al lang over mijn kookpunt en verketterde ik de RetroRonde en mezelf omdat ik me opnieuw zo in de nesten had gewerkt.

Dan kwam de prangende vraag met welk retrotextiel ik zou deelnemen. U denkt wellicht dat ik maar had te kiezen uit de mooie collectie retrotruien die het Centrum Ronde van Vlaanderen bezit. Jammer genoeg zijn de meeste van die shirts oorspronkelijke kleinoden, die ooit werden gedragen door afgetrainde, slanke, gestroomlijnde coureurs. Maatje S of minder dus. Optimistisch wurmde ik me in een Splendortje. Moet wellicht ooit van Michel Pollentier zijn geweest. Ademen ging nog net. Ik wilde me bevrijden maar – 28 juni was een zomerse, plakkerige dag – ter hoogte van schouderbladen en borsten (jawel) bleef de trui als een half opgerold worstje steken. Gelukkig kwam een gniffelende Freddy Maertens voorbij om mij uit de nood te helpen. Mijn ten opzichte van hem moeizaam opgebouwde autoriteit lag samen met het Splendortje als een vod op de grond. Na nog wat paswerk waarbij de heer Maertens zich uitbundig vermaakte, vond ik uiteindelijk een truitje van Boule d’Or waarin mijn contouren zich niet al te onomstotelijk aftekenden. Met de broek liep het vlotter. De onvolprezen, uit buitenaardse klei opgetrokken Lucien De Schepper bezorgde me een zwarte, erg rekbare broek waarop in witte letters de totaal ontoepasselijke naam ‘COPPI’ was geborduurd. Bovendien zat ter hoogte van mijn rechterbil – bil, niet dij – een door motten geconstrueerd kijkgat dat zelfs Carglass niet meer dicht zou krijgen.

Nu de valhelm en de schoenen nog. Ik vond bij ons in het CRVV in een kartonnen doos een witte worstenhelm waar Gino, de schoonbroer van Freddy, een blad van een Ficus lyrata – die bij ons in de inkomhal staat – onder schoof, als imitatie van het koolblad dat de renners indertijd gebruikten om extreme hitte tegen te gaan. De schoenen waren een ramp. Een zoektocht in de catacomben van het CRVV leverde niets op. In ieder geval geen koerssloffen waar mijn voeten in pasten. Ik moest het uiteindelijk doen met hoge, gewatteerde cyclocrossschoentjes waarop, totaal misplaatst, Tour de France was gedrukt. Nog voor de start was het of ik met mijn voeten in een ondergelopen kelder stond. Witte worstenhelm met nepkoolblad, tot het uiterste gespannen Boule d’Or-truitje, geperforeerde Coppi-koersbroek, gewatteerde cyclocross-schoenen: zo verscheen uw dienaar aan de start van zijn eerste RetroRonde.

Over de tocht zelf kan ik kort zijn. Ik herinner me er niet veel meer van. Op de col van Moregem (km 7,8) werd het me al zwart voor de ogen. Voor de rest staan me in de eerste plaats mijn stomende schoenen voor de geest. Daar ging, in de voorovergebogen positie waarop ik op de fiets zat, tachtig procent van de tijd mijn blik naar toe. Collega’s zeiden me achteraf dat het parcours erg mooi was, dat het er tussen de deelnemers vrolijk aan toe ging, dat het met de hitte best meeviel. Ook ik zal aan de RetroRonde onuitwisbare herinneringen bewaren.

(Rik Vanwalleghem, Grinta! 15, 2009)

Rik Vanwalleghem leefde toe naar de RetroRonde van Vlaanderen.